PROEV werd ontwikkeld door een consortium o.l.v. UGent en UAntwerpen, i.o.v. het Departement Onderwijs en Vorming

Ik zit met enorme niveauverschillen in mijn klas. Dit maakt het moeilijk om voor iedereen goed te doen. Ik probeer altijd zo veel mogelijk kinderen mee te krijgen met de basisleerstof, maar hierdoor verlies ik de sterkste kinderen soms uit het oog. Ze vervelen zich als ze mijn uitleg nog eens moeten meevolgen of te eenvoudige oefeningen maken. Ik zou ook veel meer willen aansluiten bij hun niveau.
Leraar lager onderwijs

Beschrijving

Werken op meerdere sporen, kortom een ‘meersporenbeleid’, houdt in dat je meerdere leerwegen uittekent waarbinnen leerlingen op maat aan de slag gaan. Het doel van een meersporenbeleid is dat zo veel mogelijk leerlingen de basisstof beheersen én dat leerlingen de kans krijgen zich vast te bijten in meer uitdagende opdrachten, aansluitend bij hun leerstatus. Meestal zijn er drie à vier sporen:

  • Spoor 1: Leerlingen die het moeilijk hebben met de leerstof krijgen verlengde instructie in een miniklas en gaan aan de slag met herhalingsoefeningen.

  • Spoor 2: Leerlingen die de leerstof onder de knie hebben, maken basisoefeningen.

  • Spoor 3: Leerlingen die extra uitgedaagd willen of moeten worden, maken verdiepende oefeningen.  

  • Spoor 4: Leerlingen met een individueel curriculum krijgen oefeningen en/of begeleiding op maat.

Voordelen

  • Leerlingen werken volgens hun leerstatus. Je sluit aan bij hun leerbehoeften en het tempo.

  • Alle leerlingen kunnen successen ervaren, wat de motivatie verhoogt.

  • Een meersporenbeleid vergroot de tijd om de minimumdoelen te behalen voor de leerlingen die dit nodig hebben. Hiermee verhoogt het de kansengelijkheid.

  • Het heeft een positieve invloed op de prestaties van leerlingen.

  • Door leerlingen mee te laten beslissen over het spoor waarop ze zullen werken, komt de verantwoordelijkheid meer in handen van de leerlingen. Dit komt hun zelfregulatie ten goede (meer kan je hier lezen).

  • De opdrachten die leerlingen maken, worden zinvoller.

  • Je stelt hoge verwachtingen aan je leerlingen, wat een positieve invloed heeft op het leren.

  • Het is een overkoepelend differentiatiemodel. Je kan het in combinatie gebruiken met andere differentiatievormen. 

  • Door te selecteren in het (leer)werkboek, vereist het weinig bijkomend voorbereidingswerk

Het vergt enig denk- en voorbereidingswerk. Hoe verdeel je de oefeningen over de verschillende sporen? Welke klasopstelling hanteer je? Op basis waarvan vorm je de groepen?

Leerlingen hebben vaak de neiging hun eigen capaciteiten te onder- of overschatten, zeker als je net start met een meersporenbeleid. Het kan ook zijn dat leerlingen het spoor kiezen dat het meeste aansluit bij de werkmethode van hun voorkeur (individueel werk, groepswerk, …).

Een beknopt literatuuroverzicht kan je hier vinden.

Bronnen
open

De inhoud in 'overzicht' en 'aan de slag in de klas' is gebaseerd op volgende bronnen:

  • Coubergs, C., Struyven, K., Engels, N., Cools, W., & De Martelaer K. (2013). Binnenklasdifferentiatie. Leerkansen voor alle leerlingen. Leuven: Acco.

  • Coubergs, C., Struyven, K., Gheyssens, E., & Engels, N. (2015). Het BKD-leerkrachtmodel: binnenklasdifferentiatie realiseren in de klas. Impuls 45(3), 151- 159.

  • Klasse. (2016, 8 december). Differentiatie op 4 sporen: “De leerlingen voelen zich begrepen”. Geraadpleegd op 14 april 2022, van /70582/differentiatie-met-4-sporen-de-leerlingen-voelen-zich-begrepen/ 

  • Struyven, K. et al. (2019). Binnenklasdifferentiatie in de praktijk. Ieders leer-kracht realiseren. Uitgeverij Acco.

  • Smets W. (2017). Slim differentiëren, praktijkboek binnenklasdifferentiatie voor leerkrachten, De Boeck: Antwerpen.

Algemene werkwijze

Figuur: Algemene werkwijze om te werken op meerdere sporen (aangepast uit Struyven, 2019)

Een meersporenbeleid binnen één lesuur

EEN VOORBEELD UIT DE LES WISKUNDE (TWEEDE GRAAD)

We werken quasi elke les op meerdere sporen. Ik start met een klassikaal moment dat maximaal twintig minuten duurt. De rest van het lesuur gaan de leerlingen aan de slag met oefeningen. Ik voorzie drie categorieën: (1) de herhalingsoefeningen, (2) de basisoefeningen en (3) de uitdagende oefeningen. Daarnaast kunnen de leerlingen ook extra uitleg krijgen. Er zijn altijd leerlingen die dat willen. Met hen zit ik samen. Ik demonstreer de werkwijze nog eens en we proberen samen een aantal herhalingsoefeningen uit. Dit is meestal een kort moment en dan gaan ze zelfstandig aan het werk. De andere leerlingen kiezen welke oefeningen ze willen uitproberen en controleren hun antwoorden aan de hand van correctiesleutels. Mijn rol bestaat er vooral uit om rond te lopen, vragen te beantwoorden en soms ook leerlingen aan te sporen om meer uitdagende oefeningen uit te proberen.

Een meersporenbeleid combineren met peer tutoring

EEN VOORBEELD UIT DE LES FRANS (TWEEDE GRAAD)

Bij mijn derdes maak ik gebruik van een driesporenbeleid. Bijvoorbeeld bij de pronoms. Ik verwacht dat alle leerlingen de pronoms (COD, COI, y, en, tonique) kunnen herkennen in een zin en vervangen door een pronom personnel. We herhalen de theorie en oefenen die verder in. Dit neemt een lesuur in beslag. Bij het begin van de volgende les voorzie ik een kort evaluatiemomentje met een aantal korte opgaven. Hiermee krijgen de leerlingen meer inzicht in hoeverre ze de theorie beheersen en kunnen toepassen. Op basis hiervan teken ik drie sporen uit: (1) de leerlingen die extra uitleg wensen, (2) de leerlingen die het begrepen hebben en (3) de leerlingen die extra uitdaging willen. De leerlingen beslissen zelf op welk spoor ze werken.

Met de leerlingen van het eerste spoor ga ik aan de slag met herhalingsoefeningen. Dit doen we stap voor stap. Ze leggen uit waarom ze doen wat ze doen. Waar nodig stuur ik bij en leg ik bepaalde stappen opnieuw uit.

Leerlingen binnen het tweede spoor gaan aan de slag met basisoefeningen. Ze mogen kiezen of ze dit individueel of samen met een medeleerling doen. Als ze bepaalde oefeningen niet kunnen oplossen, mogen ze de hulp inschakelen van een medeleerling die op het derde spoor werkt. Deze leerlingen nemen de rol van peer tutor op.

Daarnaast werken de leerlingen op het derde spoor individueel aan verdiepende opdrachten, waarbij ik hen uitdaag om de leerstof toe te passen in een reële context.

Digitale mogelijkheden

Je kan digitale leerpaden uitwerken om zo oefeningen op verschillende sporen te voorzien. Dit kan bijvoorbeeld via Smartschool of www.i-learn.be

Bronnen
open

De inhoud in 'overzicht' en 'aan de slag in de klas' is gebaseerd op volgende bronnen:

  • Coubergs, C., Struyven, K., Engels, N., Cools, W., & De Martelaer K. (2013). Binnenklasdifferentiatie. Leerkansen voor alle leerlingen. Leuven: Acco.

  • Coubergs, C., Struyven, K., Gheyssens, E., & Engels, N. (2015). Het BKD-leerkrachtmodel: binnenklasdifferentiatie realiseren in de klas. Impuls 45(3), 151- 159.

  • Klasse. (2016, 8 december). Differentiatie op 4 sporen: “De leerlingen voelen zich begrepen”. Geraadpleegd op 14 april 2022, van /70582/differentiatie-met-4-sporen-de-leerlingen-voelen-zich-begrepen/ 

  • Struyven, K. et al. (2019). Binnenklasdifferentiatie in de praktijk. Ieders leer-kracht realiseren. Uitgeverij Acco.

  • Smets W. (2017). Slim differentiëren, praktijkboek binnenklasdifferentiatie voor leerkrachten, De Boeck: Antwerpen.

Het één per één beoordelen van opdrachten van leerlingen, al dan niet aan de hand van vooropgestelde kwaliteitscriteria.
Een evaluatieresultaat is betrouwbaar wanneer het niet wordt beïnvloed door niet-relevante factoren. Het resultaat weerspiegelt de mate waarin een leerling de leerdoelen beheerst.
De zorg die alle leerlingen nodig hebben om zich te kunnen ontplooien en om gebruik te kunnen maken van hun talenten en mogelijkheden.
De mate waarin het werkgeheugen wordt belast. Om het leerproces te bevorderen, dien je de cognitieve belasting te optimaliseren.
Een cluster van kennis, vaardigheden en attitudes die leerlingen in complexe contexten kunnen toepassen.
De neiging om nieuwe informatie zodanig op te zoeken en/of te filteren dat deze de eigen ideeën, opvattingen en/of hypothesen bevestigt.
In een constructief afgestemd onderwijsproces zijn de leerdoelen, de (summatieve) evaluatie en de onderwijs- en leeractiviteiten op elkaar afgestemd.
In een constructief afgestemd onderwijsproces zijn de leerdoelen, de (summatieve) evaluatie en de onderwijs- en leeractiviteiten op elkaar afgestemd.
Een overzicht van de criteria die worden gebruikt om een opdracht te beoordelen. Het geeft aan waaraan een opdracht dient te voldoen en welke aspecten van belang zijn.
Het proactief, positief en planmatig omgaan met verschillen tussen leerlingen (interesses, leerstatus en leerprofiel) met als doel om een maximaal leerrendement voor alle leerlingen te realiseren op het vlak van motivatie, leerwinst en leerefficiëntie.
Het vermogen van leerlingen om informatie van verschillende bronnen te aanvaarden en te gebruiken om de kwaliteit van hun werk te verbeteren.
Het krijgen van te veel feedback waardoor leerlingen overrompeld worden en niet meer aan de slag kunnen met de feedback.
Aanpakken waarmee je het leerproces op de korte termijn bewust bemoeilijkt waardoor leerlingen harder moeten nadenken. Dit is gewenst omdat het op lange termijn voor leerwinst zorgt.
Het beschouwen van intelligentie als iets dat niet vaststaat, maar als iets kneedbaar. Personen met een growth mindset hebben de overtuiging dat capaciteiten ontwikkeld kunnen worden.
De neiging om een persoon (leerling) positief te beoordelen, gebaseerd op één positief aspect.
De neiging om een persoon (leerling) negatief te beoordelen, gebaseerd op één negatief aspect.
De moeilijkheid om je als expert te verplaatsen in de situatie van personen die bepaalde kennis (nog) niet hebben. Hoe meer kennis je hebt, hoe moeilijker om in te schatten hoe het is om deze kennis niet te hebben.
Een mentaal beeld van welk kwaliteitsniveau wordt verwacht, hoe verschillende kwaliteitsniveaus eruitzien en hoe je kan komen tot het nagestreefde kwaliteitsniveau.
De criteria die worden gehanteerd om te beoordelen in hoeverre een evaluatie succesvol was (= evaluatiecriteria, succescriteria).
De leerdoelen omschrijven wat leerlingen moeten kennen en kunnen op het einde van een leerproces. In deze tool wordt onder leerdoelen zowel de eindtermen, leerplandoelen als concrete lesdoelen verstaan die leraren kunnen nastreven.
De wijze waarop leerlingen leren. Verschillen in leerprofiel hebben vooral te maken met de leerstrategieën en de leervoorkeuren voor bepaalde activiteiten.
Wat leerlingen al kennen en kunnen. Verschillen in leerstatus uiten zich voornamelijk op (meta)cognitief vlak, maar gaan ook over verschillen op sociaal-affectief en (psycho)motorisch vlak.
Het spreiden van leermomenten doorheen de tijd om zo tot een hoger leereffect te komen.
Een evaluatie-instrument is valide wanneer het meet wat je beoogt te meten.
De maatregelen die het zorgteam neemt in samenspraak met leerling, ouders en leraren. Het doel is om leerlingen die extra zorg nodig hebben te ondersteunen om de gestelde leerdoelen te bereiken.
Het vertrouwen in de eigen bekwaamheid om een opdracht tot een goed einde te kunnen brengen.
Het vermogen om het eigen leren te plannen, te monitoren en te evalueren.
Het in eigen woorden uitleggen van de leerstof.